hiv begrijpen.

Met hiv leven.

 

Hiv, een goed behandelbare chronische ziekte

In de afgelopen decennia is er veel bereikt in de behandeling van hiv. De eens dodelijke bedreiging is inmiddels een goed behandelbare chronische ziekte geworden. Voor iemand die met een therapie begint zonder dat er sprake is van resistentie, kunnen de beschikbare medicijnen, indien deze regelmatig ingenomen worden, met grote waarschijnlijkheid voldoende doeltreffend zijn. Met de huidige kennis en moderne therapeutische middelen kan het risico op resistentievorming tijdens de behandeling geminimaliseerd worden. Hierdoor blijven de geneesmiddelen op lange termijn effectief, wat er al toe heeft geleid dat de levensverwachting van mensen die leven met hiv die van de algemene bevolking benadert.

Het virus

Geschiedenis en Ziekteverwekker

Geschiedenis

Begin jaren '80 trad er in de VS voor het eerst een verhoogd aantal zeldzame vormen van longontsteking op, veroorzaakt door een algemene immuundeficiëntie. In 1983 ontdekte men dat het "human immunodeficiency virus" (hiv) hier de oorzaak van was. De eerste pogingen tot behandeling met één of twee geneesmiddelen konden de ziekte meestal slechts met een paar maanden vertragen. Midden jaren '90 kwam er een doorbraak in de behandeling, dankzij de combinatietherapie van 3 geneesmiddelen met verschillende werkingsmechanismen. Inmiddels zijn er meer dan 20 goedgekeurde hiv-medicijnen die een geïndividualiseerde behandeling mogelijk maken.

De continu toenemende levensverwachting van mensen die leven met hiv vraagt om een strategische planning van de behandeling. Veel meer dan voorheen treedt de langetermijnvisie van de patiënt op de voorgrond en daarmee ook de geschiktheid voor dagelijks gebruik en de (langdurige) verdraagbaarheid van de medicatie. Steeds vaker worden er aanpassingen in het behandelplan gemaakt. Niet vanwege het gebrek aan werkzaamheid, maar vanwege bijwerkingen of intoleranties.

Onderzoek toont aan dat er sprake is van een gestage daling van AIDS-gerelateerde doodsoorzaken. Met andere woorden: mensen die leven met hiv sterven tegenwoordig niet meer aan de infectie, maar toenemend aan leeftijdsgerelateerde secundaire aandoeningen, die ook optreden bij niet-geïnfecteerden. De vermindering van het risico op deze secundaire aandoeningen is een belangrijke voorwaarde voor de hiv-therapie, maar ook het minimaliseren van interacties met gelijktijdige medicatie, die de ouder wordende patiënt steeds vaker moet innemen.

 

De ziekteverwekker

Hiv is een virus dat zich in het menselijk immuunsysteem vermenigvuldigt.

Zoals alle virussen kan ook hiv (humaan immunodeficiëntie virus) niet alleen bestaan, maar heeft het een menselijke gastheercel nodig om zich te kunnen vermenigvuldigen. Net zoals een parasiet, misbruikt hiv het metabolisme van de geïnfecteerde gastheercel om zelf in het menselijk lichaam te kunnen overleven.

Menselijke overdracht met hiv kan alleen plaatsvinden via bepaalde lichaamsvloeistoffen die een hoge hoeveelheid virus bevatten (bloed, sperma, vaginale afscheiding en moedermelk). Het grootste risico op infectie vindt plaats via onbeschermde seks en het delen van spuiten door drugsgebruikers. Het virus zelf is relatief eenvoudig gestructureerd.

Het bestaat uit

  • een buitenste omhulsel met hechtingspunten voor het hechten aan de gastheercel,
  • een binnenste capsule die de blauwdruk voor de ontwikkeling van hiv bevat. De blauwdruk staat ook als genetisch materiaal of viraal RNA bekend,
  • bepaalde werktuigen, de enzymen, die de reproductie van hiv regelen.

De menselijke cellen, die door hiv als gastheercellen gebruikt worden, zijn specifieke cellen van het immuunsysteem. Ze worden CD4-helpercellen genoemd.

Het immuunsysteem

Het immuunsysteem beschermt tegen infecties

Het immuunsysteem is een complex afweersysteem van het menselijk lichaam dat tegen infecties beschermt. Het bestaat uit verschillende groepen immuuncellen, die vergeleken kunnen worden met beschermende troepen. Deze cellen regelen, in een complex samenspel, de verdediging van vijandelijke indringers (ziekteverwekkers zoals bacteriën, parasieten, virussen), waaraan we voortdurend worden blootgesteld.

Eén veiligheidstroep van het lichaam bestaat uit killercellen, die te vergelijken valt met een speciale eenheid. Deze speciale eenheid kan tegen indringers vechten en ze direct elimineren. De B-cellen vormen weer een andere defensie. Het is een soort gezondheidspolitie van het lichaam. De B-cellen markeren de ziekteverwekker met hun antilichamen, die door andere cellen van het immuunsysteem gezien worden als vijandig en vervolgens worden geëlimineerd.

Het commandocentrum van het immuunsysteem wordt gevormd door de zogenaamde CD4-helpercellen. Zij delen operationele orders uit aan de andere veiligheidstroepen, wat dus het startschot is voor hun acties. Daarom zijn de CD4-cellen een onmisbaar onderdeel van het immuunsysteem.

Een optimaal functionerend immuunsysteem met goed voorbereide verdedigingstroepen kan ziekteverwekkers snel en effectief bestrijden. Als deze defensie verzwakt is, kunnen ziektewerkers die normaal gesproken heel onschuldig zijn zelfs levensbedreigend worden.

 

Schade aan het immuunsysteem door hiv

Risico op opportunistische infecties

 

Helaas valt hiv nou juist het commandocentrum van het immuunsysteem aan. Het vermenigvuldigt zich in de CD4-cellen die het immuunsysteem regelen en vernietigt ze daardoor.

Als het immuunsysteem door het verlies van CD4-cellen niet meer optimaal functioneert, is dit uiterst gevaarlijk. Ziekteverwekkers die normaal gesproken helemaal niet gevaarlijk zijn en onopgemerkt vernietigd worden door het intacte immuunsysteem van het lichaam, kunnen niet meer adequaat worden bestreden.

Levensbedreigende ziekten kunnen het gevolg zijn (bijvoorbeeld bepaalde vormen van longontsteking, PCP, toxoplasmose, tuberculose). Dergelijke opportunistische infecties worden samengevat AIDS (Acquired Immunodeficiency Syndrome: verworven immuundeficiëntiesyndroom) -gedefinieerde ziekten genoemd.

AIDS verzwakt dus het immuunsysteem, waardoor later één of meer infecties optreden, waartegen het lichaam zichzelf niet effectief kan beschermen.

De hiv-infectie

De vermenigvuldiging van hiv

Zonder medicatie vermenigvuldigt hiv zich miljoenen keren per dag

 

Elke dag vermenigvuldigt het virus zich miljoenen keren. De hoeveelheid hiv die kan worden gemeten in het bloed wordt virale lading, ofwel, viral load genoemd. Een hoge viral load betekent dat er zich veel virus in het bloed bevindt en dat hiv actief is en zich snel vermenigvuldigt. De ontwikkeling van de viral load tijdens de infectie bij onbehandelde hiv-geïnfecteerden ziet er als volgt uit:

 

  1. Seroconversie: Meteen na infectie met hiv is de viral load zeer hoog. Het risico van overdracht van het virus op de onbeschermde seksuele partner is in deze fase bijzonder groot - vooral omdat men in dit stadium van de infectie nog niet weet dat men geïnfecteerd is. Het immuunsysteem functioneert op dat moment nog steeds naar behoren en kan de virusvermenigvuldiging effectief bestrijden. Daarom daalt de viral load na enige tijd weer.

 

  1. Chronische fase: Lange tijd, soms zelfs vele jaren, blijft het virusaandeel in het lichaam constant, omdat er een evenwicht is tussen virusproductie en afweer. Er kunnen in dit stadium echter chronische ontstekingen in het lichaam optreden.

 

  1. Late fase/AIDS: Met de progressie van de hiv-infectie wordt het immuunsysteem echter steeds zwakker. hiv vermenigvuldigt zich onverstoord en de viral load neemt weer toe. Door de verzwakking van het immuunsysteem ontstaan er nu steeds meer infecties. Het immuunsysteem kan de strijd tegen hiv niet meer alleen aan, het heeft de hulp van medicijnen nodig.

 

 

De CD4-helpercellen

Zonder behandeling faalt het immuunsysteem

 

Het aantal CD4-cellen maakt conclusies over de afweerkracht van het lichaam tegen ziekteverwekkers mogelijk. De volgende stadia geven de ontwikkeling weer van het aantal CD4-cellen bij een onbehandelde patiënt tijdens de infectie met hiv.

 

  1. Hiv dringt zich in de CD4-cellen, vermenigvuldigt zich en vernietigt ze daardoor. Hierdoor daalt het aantal CD4-cellen aan het begin van de infectie.

 

  1. Het immuunsysteem functioneert nog steeds naar behoren en kan zich verdedigen tegen hiv. hiv vermenigvuldigt zich weliswaar nog steeds in de CD4-cellen en vernietigt ze, maar het immuunsysteem produceert steeds weer nieuwe CD4-cellen. Daarom blijft het aantal CD4-cellen lange tijd vrijwel constant. Afhankelijk van de geïnfecteerde persoon, zijn er echter schommelingen mogelijk. Doorslaggevend voor de beoordeling van de gezondheid is de trend van de stijging en daling van de CD4-cellen. Alleen wanneer er sprake is van een significante daling, moet er actie ondernomen worden.

 

  1. Door de constante productie van nieuwe CD4-cellen raken de energiereserves van het immuunsysteem echter uitgeput – het kan de nieuwe productie niet meer aan en het aantal CD4-cellen neemt af.

 

  1. Het steeds zwakker wordende immuunsysteem met weinig CD4-cellen kan de strijd tegen opportunistische ziekteverwekkers niet langer aan. De waarschijnlijkheid van het optreden van AIDS-gerelateerde ziektes neemt sterk toe. Voorbeelden hiervan zijn een bepaalde vorm van longontsteking, tuberculose, toxoplasmose en bepaalde vormen van kanker. Artsen spreken nu van volledig ontwikkelde AIDS.

 

Schade aan het immuunsysteem door hiv

Risico op opportunistische infecties

 

Helaas valt hiv nou juist het commandocentrum van het immuunsysteem aan. Het vermenigvuldigt zich in de CD4-cellen die het immuunsysteem regelen en vernietigt ze daardoor.

 

Als het immuunsysteem door het verlies van CD4-cellen niet meer optimaal functioneert, is dit uiterst gevaarlijk. Ziekteverwekkers die normaal gesproken helemaal niet gevaarlijk zijn en onopgemerkt vernietigd worden door het intacte immuunsysteem van het lichaam, kunnen niet meer adequaat worden bestreden.

 

Levensbedreigende ziekten kunnen het gevolg zijn (bijvoorbeeld bepaalde vormen van longontsteking, PCP, toxoplasmose, tuberculose). Dergelijke opportunistische infecties worden samengevat AIDS (Acquired Immunodeficiency Syndrome: verworven immuundeficiëntiesyndroom) -gedefinieerde ziekten genoemd.

 

AIDS verzwakt dus het immuunsysteem, waardoor later één of meer infecties optreden, waartegen het lichaam zichzelf niet effectief kan beschermen.

 

 

De vermenigvuldiging van hiv

Aanval op de CD4-cellen

 

De aanval op de CD4-cellen bestaat uit meerdere stappen die na elkaar plaatsvinden.

 

 

  1. Aanhechting: hiv herkent zijn gastheercellen, de CD4-helpercellen, en hecht zich er via receptoren (o.a. CCR5-receptor) aan vast.

 

  1. Fusie: hiv dringt zich in de menselijk afweersysteemcel. Daar geeft het virus zijn genetisch materiaal (RNA) en zijn enzymen af.

 

  1. Reverse-transcriptase: Met behulp van een enzym, reverse-transcriptase, past hiv zijn genetische materiaal aan die van de menselijke cel aan.

 

  1. Integratie en virussynthese: Een tweede enzym, de integrase, integreert het virale genetische materiaal van het hiv-virus in het menselijke genetische materiaal. De CD4-helpercel wordt vervolgens geïnfecteerd met hiv en wordt door het virus nu als een productieplaats voor zijn eigen voortplanting gebruikt.

 

  1. Assemblage: De afzonderlijke delen van het virus worden door de protease veranderd en het virus wordt geassembleerd.

 

  1. Vrijlating: Het virus wordt uit de CD4-cel vrijgelaten. Tijdens dit proces moeten bepaalde onderdelen nog worden afgewerkt. Dit proces, waarbij de protease van hiv betrokken is, wordt ook wel virusrijping genoemd.

 

  1. Infectie: Het "rijpe" virus is klaar om nieuwe CD4-cellen te infecteren. Door de vermenigvuldiging van hiv raakt de CD4-cel dusdanig beschadigd dat die na een tijdje sterft.

 

De integratie van de virale genetische informatie in het DNA van rustende menselijke immuuncellen (reservoirs) verhindert tot dusver de genezing van hiv. Deze cellen kunnen op elk moment onvoorspelbaar worden geactiveerd en de eerder onderdrukte hiv-vermenigvuldiging weer inschakelen.

De behandeling

De hiv-behandeling

Aangrijpingspunten van de antiretrovirale therapie (in het kort: ART)

Antiretrovirale geneesmiddelen vallen de mechanismen van hiv aan die van vitaal belang zijn voor de vermenigvuldiging van het virus. Deze mechanismen worden ook wel enzymen genoemd.

 

Voor de moderne hiv-behandeling zijn er remmers (inhibitoren) beschikbaar. Hiermee worden de meeste mechanismen die nodig zijn voor virusvermenigvuldiging geremd. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:

 

  • Reverse-transcriptaseremmers, die weer onderverdeeld zijn in:

 a) Nucleoside reverse-transcriptaseremmers (NRTI)

 b) Niet-nucleoside reverse-transcriptaseremmers (NNRTI)

 

  • Proteaseremmers of PI genoemd

 

  • Integraseremmers of InI of INSTI genoemd

 

Daarnaast zijn er inhibitoren die de penetratie van het virus in de menselijke cel voorkomen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen:

 

  • CCR5 antagonisten, die ervoor zorgen dat het virus zich niet aan menselijke cellen kan hechten

 

  • Fusieremmers, die voorkomen dat het virus de cel penetreert

 

 

 

De medicijnen roepen de activiteit van het specifieke enzym een halt toe of blokkeren receptoren. De reproductie van hiv wordt daardoor verhinderd.

 

Als het virus blootgesteld wordt aan één enkel geneesmiddel, zal het op den duur doorgaans ontoereikend geremd worden. Het gevaar is groot dat het zich door de ontwikkeling van resistentiemutaties geleidelijk dusdanig ontwikkelt, dat het geneesmiddel of ook andere geneesmiddelen van dezelfde klasse niet meer zo effectief zijn. Het wordt resistent.

 

Hoe meer geneesmiddelen het virus tegelijk aanvallen, hoe moeilijker het voor hiv is om zich te kunnen ontwikkelen. Daarom gebruikt men tegenwoordig een combinatie van meerdere (meestal 3) hiv-medicijnen. Deze vorm van behandeling is significant effectiever dan de behandeling met één geneesmiddel. Dit noemt men een zeer actieve antiretrovirale therapie (Highly Active Anti- Retroviral Therapy), in het kort: HAART.

 

 

Medicijnen

Nucleoside reverse-transcriptaseremmers (NRTI’s)

De klasse van de nucleoside transcriptaseremmers (of -inhibitoren) functioneert, doordat het ervoor zorgt dat er tijdens het kopiëren van genetische informatie onjuiste bouwstenen (analogen) ingebouwd worden, wat tot de beëindiging van het kopieerproces leidt. Zo wordt de vermenigvuldiging

 

De hiv-behandeling

De antiretrovirale therapie is een geïndividualiseerde combinatietherapie

De momenteel beschikbare antiretrovirale geneesmiddelen worden voor een effectieve therapie gecombineerd. Tegenwoordig worden gewoonlijk ten minste 3 werkzame stoffen tegelijkertijd voorgeschreven, waardoor hiv effectief kan worden bestreden. Het aantal voorgeschreven werkzame stoffen is niet altijd gelijk aan het aantal geneesmiddelen dat wordt voorgeschreven. Eén geneesmiddel kan namelijk uit meerdere werkzame stoffen bestaan (combinatiepreparaat).

 

Bij een patiënt die voor het eerst behandeld wordt (‘therapie-naïeve’ patiënt) wordt over het algemeen een combinatie van 2 NRTI’s en een derde stof gebruikt. Deze derde stof kan een InI, NNRTI of PI zijn.

 

Bij sommige geneesmiddelen moeten bepaalde dieetvoorschriften worden nageleefd. Bepaalde geneesmiddelen worden niet goed opgenomen door het lichaam wanneer men te veel, te weinig of te vet/vetarm eet. Sommige preparaten kunnen een wisselwerking hebben met andere geneesmiddelen die voor andere ziekten moeten worden genomen. Ze mogen dan niet samen of alleen in een bepaalde tijdsinterval ten opzichte van elkaar genomen worden.

 

De juiste therapie per patiënt

Alle hiv-medicijnen kunnen in principe – dit hoeft echter niet noodzakelijkerwijs - bijwerkingen veroorzaken. Ook de sterkte van de bijwerkingen kan per patiënt variëren of verschillend worden waargenomen. Wat voor de één verdraagbaar is, kan voor de ander onverdraaglijk zijn.

 

Dit zijn slechts een paar redenen waarom er in de hiv-therapie geen combinatie van medicijnen is, die voor alle patiënten geschikt is. Daarom is het goed dat er nu een keuze aan zeer effectieve hiv-medicijnen bestaat, waardoor er voor elk afzonderlijk individu een combinatie mogelijk is die voor hem of haar het beste werkt.

 

Welke combinatie geschikt is, zal de arts in een gesprek verduidelijken. Het is belangrijk om samen een ​​behandeling te vinden die optimaal bij het individuele levensritme en de eigen behoeften past, zodat alle geneesmiddelen regelmatig ingenomen worden.

 

Als er tijdens de behandeling op enig moment een probleem met de medicijnen optreedt, moet u dit actief met de dokter bespreken. Alleen op die manier kan de arts alternatieven aandragen en de behandeling -indien nodig- aanpassen.

 

De juiste toepassing van de behandeling

De geneesmiddelconcentratie is van cruciaal belang

 

Het succes van een antiretrovirale therapie is sterk afhankelijk van regelmatige inname. De concentratie van werkzame bestanddelen varieert gedurende de innameperiode:

 

  1. Kort na het nemen van de medicatie is de concentratie op een maximum-niveau.

 

  1. Het geneesmiddel wordt afgebroken in het lichaam, de concentratie neemt af.

 

  1. De volgende dosis moet genomen worden zodat de hoeveelheid geneesmiddel in het bloed niet te laag wordt. Bij een te lage geneesmiddelconcentratie kan de vermenigvuldiging van hiv niet voldoende worden geblokkeerd, en kan er resistentie ontstaan.

 

De toedieningsfrequentie hangt af ​​van de biochemische eigenschappen van het geneesmiddel. Geneesmiddelen die langzaam worden afgebroken in het lichaam, hoeven slechts één- of tweemaal per dag te worden genomen.

 

Als er een ​​dosis vergeten is, mag er bij de volgende dosis geen dubbele dosis worden genomen ter compensatie van de gemiste dosis. Wanneer er namelijk een hogere dosis genomen wordt dan door de arts is voorgeschreven, kan dit leiden tot een te hoge concentratie van het geneesmiddel in het bloed.

 

Het risico op resistentie minimaliseren

Hiv-virussen zonder resistentie worden "wildtype" genoemd. Hiv is echter een zeer transformeerbaar virus. Bij vermenigvuldiging ontstaan er steeds kleine wijzigingen (mutaties) in de genetische informatie. Sommige van deze veranderingen zorgen ervoor dat het virus resistent (bestand) wordt tegen medicijnen. Als er steeds voldoende medicatiebestanddelen in het bloed aanwezig zijn, kunnen deze virussen echter niet ontstaan.

 

Belangrijke oorzaken van een te lage geneesmiddelconcentratie zijn:

  1. Verstoring in de opname van de medicatie in het lichaam (diarree, braken, enzovoorts).

 

  1. Onregelmatige inname van de medicatie.

 

  1. Verkeerde inname van de medicatie (niet zoals voorgeschreven, bijvoorbeeld met te weinig, te veel of verkeerd eten).

 

  1. Interacties (wisselwerkingen) van uw hiv-medicijnen met gelijktijdige medicatie. Dit betreft zowel voorgeschreven als receptvrije geneesmiddelen.

 

De arts moet in elk geval worden geïnformeerd als er problemen zijn geweest met het innemen van de medicatie. Hij moet ook altijd weten welke andere medicatie er genomen wordt. Het is belangrijk om ook geneesmiddelen te vermelden die niet door een arts voorgeschreven zijn, maar die zonder recept te verkrijgen zijn. Sint-Janskruid of maagzuurblokkers (bijvoorbeeld protonpompremmers) kunnen bijvoorbeeld voor problemen zorgen.

 

Resistentie voorkomen

Resistentie voorkomen betekent behandelingsopties behouden

Als hiv niet resistent is, zijn er verschillende behandelingsmogelijkheden beschikbaar. Daarom moeten de medicijnen dusdanig worden ingenomen, dat het ontstaan van resistenties voorkomen wordt. Dit is vergelijkbaar met de situatie van een auto die een kruising nadert en naar alle richtingen kan afbuigen.

 

Als er tijdens de hiv-behandeling resistentie optreedt, zijn de mogelijkheden voor verdere behandelingen beperkt. Dit is ongeveer vergelijkbaar met het feit dat er minder afbuigopties bij het volgende kruispunt zijn, aangezien resistenties niet alleen gelden voor slechts één geneesmiddel, maar vaak ook voor andere. Hierdoor zijn er minder alternatieven voor het verdere verloop van de behandeling.

 

Als men dit weer met de weg vergelijkt, kunnen deze resistenties het volgende betekenen:

 

  1. Er zijn minder effectieve geneesmiddelen (afbuigopties) beschikbaar.

 

  1. Sommige medicijnen zijn slechts nog gedeeltelijk effectief (snelheidslimiet).

 

  1. Bepaalde medicijnen zijn niet langer effectief (verboden in te rijden).

 

Hoe zwaar de mogelijkheden van de hiv-behandeling worden beperkt, is afhankelijk van het type en het aantal hiv-resistenties.

 

 

Laboratoriumtests voor het begin van de behandeling

Aan het begin van de behandeling en bij een verandering in de behandeling, zal de behandelend arts goed overwegen welke medicijnen het beste passen bij de patiënt.

Om dit te controleren, kan het zijn dat er voor de start van de behandeling bepaalde parameters moeten worden onderzocht. Deze kunnen zijn:

 

Resistentieonderzoek

In sommige gevallen is de patiënt besmet met resistente virussen, zodat bepaalde geneesmiddelen daar niet meer tegen werken. Daarom moet er een resistentietest worden uitgevoerd voordat er met de behandeling wordt gestart. Deze test onderzoekt of een patiënt met hiv-resistente virussen is geïnfecteerd en welke medicijnen effectief werken tegen deze ziekteverwekker. Tijdens het gebruik van medicijnen kan het onder bepaalde omstandigheden (meest voorkomende oorzaak is een onregelmatige inname van de medicatie) tot een virologisch falen van de behandeling leiden.

 

In dat geval wordt er eveneens een resistentietest uitgevoerd. Op basis van het resultaat kan er dan een optimaal werkzame combinatie van geneesmiddelen voor de voortzetting van de behandeling worden samengesteld.

 

Tropismetest

Hiv-virussen verschillen in de manier waarop de ingangspoorten (receptoren) in de gastheercel worden geselecteerd. Het virus gebruikt ofwel de zogenaamde CCR5-receptoren of CXCR4-receptoren of, in zeldzame gevallen, beide. Met tropisme wordt het gebruik van de één of andere receptor aangeduid. Als uit de tropismetest blijkt dat het virus CCR5-receptoren gebruikt voor penetratie in de cel, kunnen CCR5-blokkers worden ingezet. Als het virus echter een voorkeur heeft voor CXCR4-receptoren, dan kan dit niet. De tropismetest doet - net als de resistentietest - een voorspelling over de mogelijke werkzaamheid van een geneesmiddel.

 

HLA-test (of HLA-screening)

Bepaalde geneesmiddelen worden mogelijk slecht getolereerd, wanneer de patiënt daar een bepaalde genetische aanleg voor heeft. In deze gevallen wordt voor het begin van de behandeling een genetische test uitgevoerd. Wanneer het resultaat negatief is, kan dit medicijn zonder een verhoogd risico op bijwerkingen worden gebruikt. Met de HLA-test kan de arts dus een risicobeoordeling voor het optreden van bepaalde bijwerkingen opstellen en daarmee de patiënt helpen deze bijwerkingen te voorkomen.

 

 

Laboratoriumtests: Routinemetingen

Viral load en CD4 zijn de twee belangrijkste waarden

 

De behandelend arts zal de patiënt regelmatig naar de praktijk laten komen om het succes van de behandeling te controleren. Daarvoor worden met name twee laboratoriumparameters geëvalueerd om te beslissen of de behandeling effectief is:

 

  1. De viral load geeft het virusaandeel in het bloed weer. Het primaire doel van de behandeling is om de viral load te laten dalen. Het wordt altijd in virushoeveelheid (of hiv RNA) per ml bloed aangegeven. In het algemeen bepaalt de arts de viral load eenmaal per 3 maanden. Soms is het echter noodzakelijk om vaker te meten, bijvoorbeeld als tijdens de behandeling wordt overgeschakeld op andere medicijnen.
  2. Het aantal CD4-helpercellen in het bloed geeft aan of het immuunsysteem zich weer herstelt. Dan is het organisme weer minder vatbaar voor opportunistische infecties (zie pagina 9). Het aantal CD4-cellen wordt in het algemeen ook elke 3 maanden gemeten. Het wordt uitgedrukt in het aantal CD4-cellen per microliter (= 1/1000 ml) bloed.
  3. Men vindt vaak drie verschillende waarden met betrekking tot de CD4-cellen:
  • absolute aantal CD4-cellen: Totaal aantal CD4-cellen per microliter bloed,
  • percentage CD4-cellen: Percentage van de CD4-cellen ten opzichte van het totale aantal immuuncellen moet ongeveer 30% zijn,
  • CD4/CD8-verhouding: Verhouding van CD4-"helpercellen" ten opzichte van CD8-"killercellen" moet >1,2 zijn.

Ook wanneer deze laboratoriumresultaten bevredigend zijn, kunnen er nog steeds redenen zijn om de behandeling aan te passen.

Daarnaast is er een hele reeks andere laboratoriumparameters, bijvoorbeeld om de werking van de lever, nieren en andere organen te controleren.

Mochten deze op afwijkingen duiden, kan dit ook een reden zijn om van medicijnen te veranderen, net als wanneer er zich andere bijwerkingen voordoen die op de lange termijn ondraaglijk zijn, zoals bijvoorbeeld chronische diarree. 

©Copyright: Jörg Gölz, Berlijn

NL/572/0006/17. Date of preparation: February 2017